Beleidsplan Jeugd 2015-2019 Beleidsplan Jeugd 2015-2019

 
https://docs.google.com/drawings/d/sCsTLhJhIf2upR4i2PxcXmQ/image?w=325&h=789&rev=9&ac=1https://docs.google.com/drawings/d/sT0rOTX_5MAarWEFXY6-_qA/image?w=745&h=70&rev=4&ac=1
 
Inhoud
Oorsprong en missie    
Inleiding        
De eerste christelijke gemeente       
Missie in kernwoorden     
Visie op de kernwoorden 
Visie PGT en JOP Terneuzen     
Doelen
Ontmoeten 
Leren              
Vieren            
Helpen           
Doorgeven   
Kenmerken en krijtlijnen van jeugdwerk           
Doelgroep    
Kind – tiener – jongere     
Ouders en gemeente        
Participatie   
Bestaande netwerken, verbinden en verdiepen       
Deskundigheidsbevordering kinder- en jongerenwerkers    
Relationeel  
Vrienden en inhoud
Geest en gebed        
Literatuurlijst   
 












Wie in mijn naam één zo’n kind bij zich opneemt, neemt mij op; en wie mij opneemt, neemt niet mij op, maar hem die mij gezonden heeft.’
Oorsprong en missie
Inleiding
Allereerst: JOP Terneuzen wil hier haar identiteit beschrijven. Let wel, we gaan hier geen nieuwe kerkleer uiteenzetten. We geven slechts weer waar we voor staan en waarom we daar voor staan.
 
JOP Terneuzen is de overkoepelende naam voor al het jeugdwerk van de Protestantse Gemeente Terneuzen (PGT). Daarmee geeft zij meteen haar positie weer. JOP Terneuzen is onderdeel van een groter geheel, de PGT. De PGT is op haar beurt weer onderdeel van een groter geheel, namelijk de landelijke kerk en daarmee de wereldwijde kerk. Die kerk is de kerk van de Heer, Jezus (Grieks: kuriake – ‘van de Heer’). En daarmee is tevens haar diepste wezen aangegeven.
De kerk vindt haar oorsprong in het hart van God (Tensen, p.264). Zij is een eenheid. Hoewel een eenheid in verscheidenheid. Zij bestaat uit alle christenen van alle tijden en plaatsen (Tensen, p. 256).
In de loop van het Nieuwe Testament wordt de identiteit van de kerk steeds duidelijker. Het hoofd van de kerk is Jezus Christus en de kerk is zijn lichaam (Efez. 1:22; 4:15), zijn leerlingen, volgelingen, die christenen worden genoemd (Hand. 11:26).
 
Over een gemeenschap van christenen lezen we voor het eerst duidelijk in Handelingen 2. Na de toespraak van Petrus op de dag van het Pinksterfeest aanvaarden veel mensen het geloof. Doorgaans ziet men dit als de start van de kerk. De komst van de heilige Geest speelt hierbij een cruciale rol. Hij doorbreekt grenzen en blijft dat ook na Pinksteren doen.
 
De vele  eeuwen daarna tot aan de dag van vandaag heeft de kerk, met behulp van de heilige Geest, vormen gezocht om met de boodschap van het evangelie aansluiting te vinden bij mensen in haar tijd. Zo proberen ook wij met het jeugdwerk van de PGT vormen te vinden om met de boodschap van het evangelie aansluiting te vinden bij mensen uit onze tijd. Om te weten hoe we dat moeten doen, zijn we te raden gegaan bij de eerste christelijke gemeente om te kijken wat zij doen om dat vervolgens te vertalen naar onze context.
De eerste christelijke gemeente
De mensen, die na de vurige toespraak van Petrus en de vele tekenen en wonderen die de apostelen verrichten, het geloof hadden aanvaard, bleven bijeen en hadden alles gemeenschappelijk. Ze verkochten al hun bezittingen en verdeelden de opbrengsten onder degenen die iets nodig hadden. Ze vormden een gemeenschap, braken het brood en gebruikten hun maaltijden in een geest van eenvoud en vreugde. Ze bleven trouw aan het onderricht van de apostelen en ze wijdden zich aan het gebed. Ze loofden God en stonden in de gunst van het hele volk. En dan … ‘De Heer breidde hun aantal dagelijks uit met mensen die gered wilden worden’.
Authenticiteit, puurheid en echt geloof proef je in deze woorden. De eerste gemeente was en is net als iedere gemeente contextueel bepaald. We zien het dan ook niet als een blauwdruk voor elke gemeente. De kerk was nog niet doorontwikkeld, maar we lezen ook nog niet over misstanden of ruzies. Het oogt nog zo puur, zo vlekkeloos, zo mooi, zo oprecht. En daarom voelen we ons er zo toe aangetrokken. Het is een voorbeeld voor ons. We zien het als onze opdracht om dit over te brengen aan onze kinderen en jongeren.
Van de eerste gemeente gaat wat uit. Het volk proefde het destijds. Het was de liefde van God die ze had aangeraakt en waar wij ook door zijn aangeraakt om in beweging te komen voor onze kinderen, jongeren en eigenlijk voor iedereen.
Missie in kernwoorden
We beschouwen de kerk niet als een optelsom van verschillende facetten, nee de kerk is een eenheid. Toch maken we onderscheid tussen verschillende facetten van de kerk, zodat we ons duidelijk kunnen focussen op elk onderdeel afzonderlijk en het zodanig als spiegel kan fungeren. Maar boven alles blijft de kerk een eenheid. Jong en oud vormen samen de kerk.
Bij de eerste christelijke gemeente (Hand. 2) onderscheiden wij vijf kernwoorden van kerk zijn.
 

  • Ze leefden als gemeenschap en daarbij keken ze naar elkaar om (ontmoeten).
  • Ze bleven trouw aan het onderricht van de apostelen (leren).
  • Ze braken het brood bij elkaar thuis en gebruikten hun maaltijden in geest van eenvoud en vol vreugde. Ze loofden God en stonden in de gunst bij het hele volk (vieren).
  • Ze verkochten al hun bezittingen en verdeelden de opbrengst onder degenen die iets nodig hadden (helpen).
  • Door de woorden, tekenen en wonderen die de apostelen verrichten aanvaardden mensen het geloof (doorgeven).
 
Deze vijf kernwoorden zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Ze volgen op elkaar of zij versterken elkaar. Ze vormen een eenheid.
Visie op de kernwoorden
Ontmoeten
De basis van het ontmoeten is het omzien naar elkaar. Dat zien we terug in het pastoraat, maar daar hoor het niet bij te blijven. Het is zaak van de hele gemeente, niet slechts van een enkeling. Daarin kunnen we het voorbeeld van Jezus volgen. Hij was bewogen met de mensen. Hij zocht ze op, daar waar ze zijn.
We omschrijven hier enkele richtlijnen voor ontmoeten naar aanleiding van het gesprek tussen de ‘rijke jongeman’ en Jezus.
 
  • Jezus neemt de tijd voor de jongen.
  • Jezus heeft de jongen lief.
  • Jezus gaat het gesprek aan.
  • Jezus confronteert de jongen.
  • Jezus daagt de jongen uit.
  • Jezus laat de jongen weer gaan.
 
Het zijn enkele richtlijnen die we in ons achterhoofd moeten houden, zodra we omgaan met jongeren. Deze richtlijnen zou elk gemeentelid moeten kennen, maar gelden bij uitstek op de plekken waar de jongeren komen.
Onder het ontmoeten valt ook het al eerder genoemde pastoraat voor jongeren. Onder pastoraat verstaan we de ‘herderlijke zorg’ voor de jongeren. Jezus is de ‘goede herder’. Ook daarin is Hij het grote voorbeeld voor ons. Via Petrus en de andere apostelen komt deze taak ook bij ons terecht. ‘De grote herder vertrouwt ons de pastorale zorg aan kinderen en jongeren toe.’ Wij mogen met de jongeren meelopen, ze ondersteunen, troosten, beschermen en ze helpen genezing te vinden als dat nodig.
Maar vooral moeten we zelf een voorbeeld voor ze zijn. Jongeren zoeken een rolmodel. Mensen aan wie zij zich kunnen spiegelen. En die verantwoordelijkheid ligt bij de gehele gemeente (Rietberg en Matsinger, p. 15-17).
Leren
Het leren kent veel raakvlakken met het ontmoeten. Wij willen jongeren leren wie ze zijn, maar belangrijker nog wie God voor ze wil zijn. Jongeren moeten op zoek gaan naar hun hart, de plek waar God tot ze spreekt. ‘Kerkelijk onderwijs wil jongeren in de kern van hun bestaan aanspreken en hen uitdagen tot een levende relatie met God.’
De eerste gemeente bleef trouw aan het onderwijs van de apostelen. Het onderwijs omvatte kennis, maar was zeker op het hart gericht. Het zette mensen in beweging. En dat moet met name het kenmerk zijn van kerkelijk onderwijs. In de kern gaat het om discipelschapsvorming. De opdracht die de leerlingen meekregen van Jezus vlak voordat Hij naar de hemel ging (Mattheüs 28).
Ook bij het leren is degene die voor de groep staat erg belangrijk. De catecheet is een voorbeeld, een levend bewijs van geloof. Kinderen en jongeren kunnen terecht bij hem/haar met vragen over geloof en twijfel. De catecheet heeft geloofservaring opgedaan die het waard is om door te geven (Plantinga en Vlieg, p. 62).
Kerkelijk onderwijs is niet los te zien van andere vormen van geloofsonderwijs thuis of in de kerk. De geloofsopvoeding thuis is juist van wezenlijk belang. De basis wordt daar gelegd.
Vieren
Vieren doe je samen en vormt daarom misschien wel de kern van de gemeenschap. De eerste gemeenten kwamen vaak bijeen in de tempel, synagogen, in de open lucht of andere ruimten. Er was geen vaste liturgische orde. Als voornaamste elementen van de eredienst worden genoemd: het onderwijs, de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden. Daarin kon iedereen participeren. De samenkomst vormde het hart van de gemeenschap.
Ook bij ons is dat nog steeds het geval. De kerk wordt al snel geassocieerd met de kerkdienst. Binnen de PGT kennen we met het oog op de jeugd, de reguliere kerkdiensten en de jeugddiensten.
In ons ‘Plan Vieren’ hebben we vijf aanbevelingen voor de reguliere kerkdiensten gedaan. Met als doel dat jongeren aangesproken worden in hun eigen leefwereld en dat ze iets mogen ervaren van de gemeenschap.
  • Welkom                                             – We moeten open staan voor de ontmoeting met elkaar en God.
  • Relationeel                                      – Naar zijn beeld willen wij er zijn voor elkaar.
  • Op het hart gerichte preek        – We moeten specifieke en concrete taal hanteren.
  • Muziek                                               – De veelkleurigheid van de mensen moeten we laten terugkomen in de muziek- en liederenkeuze.
  • Beeld                                                  – Gebruik letterlijk en figuurlijk beeldmateriaal.
 
Specifiekere gegevens en concrete afspraken zijn terug te vinden in het rapport ‘VIEREN’ en in het document ‘VIEREN besluiten ZuidNoord’.
Deze afspraken zijn zeker ook van toepassing op de jeugddiensten. Naar aanleiding van onze eigen ervaring en onderzoek benoemen we nog enkele facetten die erg belangrijk zijn voor met name een jeugddienst.
  • Interactie                                          – Door mensen te laten reageren betrek je ze bij de dienst.
  • In beweging komen                      – Doordat mensen letterlijk in beweging komen, kunnen ze figuurlijk ook stappen zetten. Bijvoorbeeld: Men brengt een gebed letterlijk naar voren. Figuurlijk voelt dit alsof je het gebed wegbrengt naar God.
  • Symbolen                                          - De kracht van symbolen speelt een grote rol. Het zijn doorverwijzingen naar God. Ze willen God en mens dichterbij elkaar brengen.
  • Inhoud                                                – De inhoud van de dienst/preek moet als relevant (actueel en aansluitend) worden ervaren. Jongeren moeten antwoorden krijgen, puur geloof proeven, eerlijkheid, oprechtheid en authenticiteit ervaren. Er moet wat voor ze te leren zijn.
  • Muziek                                               – Muziek is essentieel. De muziek moet aansluiten bij de jongeren. Muziek kan uiting geven aan hun geloof.
  • Participatie                                       – Jongeren moeten deelnemen aan de dienst en zich daarmee kunnen identificeren (zie hiervoor ook het gedeelte over participatie).
  • Samen                                                                – Jong en oud kunnen van elkaar leren. Door elkaar te bevragen en oprecht naar elkaar te luisteren ontstaat er een dynamische gemeenschap en een echt gevoel van samen. Tegelijkertijd moet er ruimte zijn om jezelf te kunnen zijn.
  • Ervaren                                               – Jongeren willen ervaren dat anderen ook bezig zijn met het geloof (JOP, Aansprekend vieren).
  • Amusement                                     – Door veel afwisseling in de dienst te gebruiken gaan de jongeren de dienst als minder saai ervaren (JOP, Aansprekend vieren).
  • Bidden                                                               – Het is een concentratiepunt voor jongeren en geeft het gevoel dat er hoop is, rust en geborgenheid.
Helpen
De hulp voor elkaar is iets wat van oudsher bestaat. Mozes kreeg van God al te horen om niet alles weg te halen van de akker, maar ook wat over te laten voor de armen en vreemdelingen (Lev. 19: 9-10). Ook de eerste christelijke gemeenschap hielp elkaar als dat nodig was. De verspreiding van het evangelie ging gepaard met dienstbetoon. Op diverse plaatsen in het Nieuwe Testament lezen we dat terug. Er werden zelfs gelovigen gekozen om deze specifieke taak op zich te nemen (Hand. 6).
Het diaconaat, helpen, willen we ook handen en voeten geven voor onze jongeren. Daarin kennen we twee sporen. Helpen door jongeren en helpen voor jongeren.
Helpen door jongeren heeft betrekking op het aanleren van een diaconale houding. Elementen hiervan zijn:
  • de ander zien;
  • verdiepen in het leven van de ander;
  • persoonlijk beschikbaar zijn;
  • leren van de ander;
  • aanpassen van je eigen levensstijl;
  • het belang van de ander behartigen.
 
Om dit te kunnen doen, is het nodig dat jongeren de kans krijgen om hierin vaardigheden te ontwikkelen. Bijvoorbeeld vaardigheden om het contact met mensen aan te gaan, om te luisteren, om tijd vrij te maken en om trouw te zijn. We helpen de jongeren door ze de gelegenheid te geven om in een veilige setting te oefenen met deze vaardigheden.
Helpen voor jongeren is aandacht geven aan jongeren die het moeilijk hebben en het zelf zonder hulp niet redden. Je kunt hierbij denken aan het signaleren van jongeren die in de knel zitten. Deze jongeren mag je ondersteunen en begeleiden. Daarnaast is het ook zaak om te werken aan preventie waardoor jongeren minder snel in probleemsituaties terecht komen.
Doorgeven
Het doorgeven van het evangelie kan op diverse manieren. In het begintijdperk van de kerk gebeurde dit vaak door middel van het verkondigen van het evangelie dat gepaard ging met wonderen en tekenen. De apostelen getuigden met grote kracht van de opstanding van de Heer, Jezus (Hand. 4: 33). Dit bleef echter niet alleen bij de apostelen. Verderop in het boek Handelingen lezen we dat ook de gemeente het evangelie verkondigde (bijv. Hand. 8:4; 11:19).
Ook dit thema kent hele oude wortels. Denk maar aan de roeping van Abram (Gen. 12), waardoor God de hele wereld op het oog had. En net als bij het ‘leren’ willen we kinderen en jongeren in de kern van hun bestaan aanspreken en hen uitdagen tot een levende relatie met God. We willen Gods liefde en ons geloof delen met anderen.
Het doorgeven is altijd een taak en kenmerk geweest van de kerk. Wij zien het dan ook als onze taak om jongeren gevoelig te maken om het evangelie door te geven. Daarbij ligt onze focus niet op de verkondiging van het evangelie zoals dit gebeurde door de apostelen. Het kan voor zowel oud als jong een grote drempel zijn om voor een groep te getuigen van je eigen geloof. Die drempel proberen we weg te halen door in te zetten op relaties. Binnen die relaties kan het evangelie doorgegeven worden. De relaties zijn niet alleen drempelverlagend, maar we geloven ook in de  kracht van relaties.
Bij het doorgeven is het ook zaak om aan te sluiten bij de doelgroep. We moeten ons verdiepen in de trends van onze tijd. Het is een klein beetje een marketing strategie: ‘om je concurrent te verslaan en je spullen te verkopen, moet je weten wie je voor je hebt.’ Paulus had dit principe ook door. Op de Areopagus zag hij een altaar voor de onbekende God. Hij zag dit als een kans om die ‘onbekende’ God bekend te maken (Handelingen 17). Aansluiting bij de doelgroep kan ook heel letterlijk, door bijv. aan te sluiten bij de wijk waar de kerk staat. Als kerk is het zaak om aan de mensen in de omgeving te laten zien dat je er (ook) voor hun bent.
Het is daarnaast belangrijk om de ander serieus te nemen en oprecht naar hem/haar te luisteren. We moeten gericht zijn op de ontvanger van de boodschap. Als we oprecht aandacht voor mensen hebben, is er zeker behoefte om te luisteren vanuit welke Bron we dat doen. Mensen nemen nu eenmaal iets aan van andere mensen die ze aardig vinden (De Boer, p. 114). Het sleutelwoord hierbij is vertrouwen. Je hoeft geen nieuwe vrienden te maken, maar er moet een vertrouwensrelatie zijn. Wees eerlijk, heb geen verborgen agenda, maar wees gericht op de ander.
Uiteraard is ook de boodschap erg belangrijk, maar wij zijn niet alleen dragers van de boodschap, we zijn de boodschap zelf. We zijn het licht van de wereld waardoor de mensen God kunnen zien, we zijn een brief van Christus (2 Corinthiërs 3).We moeten doen wat we geloven en geloven wat we doen.  Een verkoper verkoopt zijn spullen vaak gemakkelijker als hij er zelf in gelooft. En zo ‘simpel’ is het ook met het evangelie.
De Boer geeft vijf concrete punten om mee aan de slag te gaan (p. 139-141):
  • Wees gericht op de ontvanger, niet op de boodschap (Jezus gaf geen antwoorden op vragen die niet gesteld werden, p. 123).
  • Leef het evangelie.
  • Neem kleine stappen. Niet iedereen zal het hele evangelie gelijk begrijpen.
  • Wees niet bang. Niet voor het onbekende, voor de wereld of voor God (voor een verkeerde aanpak).
  • Bid. Dit is cruciaal, maar wordt vaak vergeten.
 
En om niet te vergeten: om zelf te groeien in geloof en anderen en jezelf beter te leren kennen, is missionair werk erg belangrijk.
Visie PGT en JOP Terneuzen
We komen weer terug waarmee we begonnen waren. JOP Terneuzen is onderdeel van het grotere geheel, de PGT. De visie van de PGT luidt:
 
“Wij, de Protestantse Gemeente Terneuzen stimuleren, elkaar - jong en oud - om in de maatschappij als christenen dienstbaar te zijn. Vanuit de Bron zoeken wij, als gastvrije gemeente, doelgericht naar veelkleurige manieren om het evangelie eigentijds vorm te geven.”
 
En dat is precies wat wij, JOP Terneuzen, willen. Gedreven door Gods liefde voor mensen, voor jongeren, voor kinderen, zoeken wij doelgericht naar veelkleurige manieren om het evangelie eigentijds vorm te geven en relevant te maken voor kinderen en jongeren.
Samengevat in onze visie:
“Elk mens is door God gewild, gekend, bedoeld en geliefd. Wij mogen er zijn! Hij wil een relatie met ons aangaan. Dit willen wij in ons jeugdwerk weerspiegelen en uitdragen. Daarom gaan wij in het jeugdwerk relaties aan met kinderen en jongeren van binnen en buiten de PGT. Om hen uit te dagen een levende relatie met God aan te gaan, hen te dienen, te helpen en te leren helpen.”
Doelen
Uit de kernwoorden vloeien onze doelen voort. We hebben ze per kernwoord geformuleerd.
Ontmoeten
  1. Wij creëren randvoorwaarden voor onze kinderen en jongeren waarbinnen kinderen en jongeren waardevolle relaties en ontmoetingen kunnen aangaan en opdoen.
  2. Wij vangen signalen op over het welzijn van onze kinderen en jongeren (op onze activiteiten) en weten deze goed te duiden en er daadkrachtig mee om te gaan (reactief).
  3. Wij gaan een vertrouwensrelatie aan met kinderen en jongeren waarbinnen we van elkaar kunnen leren en er voor elkaar willen zijn (preventief).
Leren
  1. Wij leren onze kinderen en jongeren de bekende Bijbelse verhalen, personen en thema’s.
  2. Wij spreken onze kinderen en jongeren aan in de kern van hun bestaan en dagen hen uit tot een levende relatie met God.
  3. Wij ondersteunen en stimuleren de ouders van onze kinderen en jongeren bij de geloofsopvoeding thuis.
Vieren
  1. Wij organiseren voor onze kinderen en jongeren aansprekende vieringen rondom christelijke feestdagen gericht op een specifieke doelgroep, maar met het oog op heel de gemeente.
  2. Wij zien erop toe dat onze kinderen en jongeren zich aangesproken weten en voelen binnen de reguliere vieringen.
  3. Wij ontwerpen samen met en voor onze kinderen en jongeren vieringen gericht op een specifieke doelgroep, maar met het oog op heel de gemeente.
Helpen
  1. Wij bedenken en organiseren samen met en voor onze kinderen en jongeren activiteiten die erop zijn gericht om onze naaste onvoorwaardelijk te helpen en te dienen.
  2. Wij geven aandacht aan kinderen en jongeren die het moeilijk hebben en het zelf zonder hulp niet redden.
  3. Wij leren onze kinderen en jongeren een helpende houding aan.
Doorgeven
  1. Wij organiseren activiteiten voor onze kinderen en jongeren die erop gericht zijn om het evangelie door te geven. Hierbij zetten we in op relaties.
  2. Wij dagen kinderen en jongeren uit om woorden te geven aan hun eigen geloof.
 
Kenmerken en krijtlijnen van jeugdwerk
Hieronder beschrijven we enkele kenmerken die met name bij jeugdwerk van toepassing zijn. We beginnen met een beschrijving van de doelgroep en vervolgens noemen we enkele kenmerken die we in ogenschouw moeten nemen als we aan de slag gaan met jongeren.
Doelgroep
JOP Terneuzen focust zich allereerst op de jongeren van de PGT van 0-25 jaar. Je zou dit onze primaire doelgroep kunnen noemen.
Naast onze primaire doelgroep richten we ons vizier ook naar buiten, naar wat je onze secundaire doelgroep zou kunnen noemen. In principe zou iedereen die geen lid is van de PGT of een andere christelijke gemeenschap hier voor in aanmerking komen. Maar we moeten focus aanbrengen, omdat de hele gemeente Terneuzen geografisch gezien te groot is. We hebben daarom gekozen om ons te focussen op een wijk vlak bij de kerk. Deze keuze is pragmatisch, maar ook een bewuste. De kerk is op die manier letterlijk zichtbaar in de wijk. De bekendheid is er al. Dat is een voordeel. Het is gemakkelijker uit te leggen waar je vandaan komt. Daarnaast zijn we verantwoordelijk voor onze naaste. En de eerste naaste, is de naaste naast de kerk.
Door te spreken over een primaire en secundaire doelgroep impliceren we een volgorde, maar dat is niet het geval. Beide doelgroepen zijn even belangrijk.
Naast deze doelgroepen proberen we ons gebied te vergroten (geïnspireerd door het gebed van Jabes). Dat doen we door middel van incidentele activiteiten. We willen van betekenis zijn voor onze omgeving. Die omgeving is allereerst de geografische omgeving, maar de cirkel rondom de kerk kan steeds groter worden. Dit kan heel goed door samen te werken met scholen, gezien het feit dat daar al bestaande netwerken van kinderen en jongeren zijn, seculier jeugdwerk en kerken in de omgeving.
Kind – tiener – jongere
We hebben het binnen onze doelgroep vaak over jeugd of jongeren. Dat is echter een verzamelnaam. We onderscheiden het kind, de tiener en de jongere.
Het kind is de ontdekker. Het is bezig met de wereld te verkennen. Het laat zich niet remmen in haar enthousiasme, nieuwsgierigheid en leergierigheid.
De tiener is op zoek naar zijn identiteit, maar kan ook ergens blind voor gaan. Tieners willen ongezouten voor hun mening uitkomen. Hun enthousiasme is soms grenzeloos.
De jongere kan meer reflectie aan en zoekt nuances.
Ouders en gemeente
Daarnaast onderkennen we nog een tweetal groepen mensen binnen de leefwereld van de kinderen en de gemeente. Volwassenen in de gemeente worden door jongeren onbewust als identificatiefiguur beschouwd. Een gemeenschap vorm je samen, jong en oud. De interactie tussen jong en oud is heel waardevol voor de opbouw van de gemeenschap en het geloof van beide partijen. Daarnaast zijn er de ouders. Zij spelen een cruciale en erg verantwoordelijke rol in de vorming van jongeren. Het kerkelijk jeugdwerk zou onder andere gericht moeten zijn op de ouders van de jongeren.
Participatie
Om jongeren te betrekken bij het geloof, is het zaak dat ze zelf aan de slag gaan. Wij kunnen ze een functie geven in de kerk, bijvoorbeeld helpen met collecteren, maar hierdoor verhoog je de betrokkenheid van de jongeren niet. Dat willen we inzichtelijk maken aan de hand van de participatieladder van Roger Hart.
Participatie Trede 8 Geïnitieerd door jongeren, jongere beslist samen met volwassenen. Jongeren nemen het initiatief en voeren alle activiteiten uit. Volwassenen worden op initiatief van de jongeren betrokken bij de besluitvorming.
  Trede 7 Geïnitieerd door jongeren. Jongeren nemen het initiatief en besluiten over de uitvoering. Volwassenen zijn beschikbaar in begeleidende rol.
  Trede 6 Geïnitieerd door volwassenen maar jongere beslist mee. Volwassenen hebben de coördinatie, maar zij betrekken jongeren in elk onderdeel van de planning en uitvoering.
  Trede 5 Geconsulteerd en geïnformeerd. Volwassenen voeren het project uit, maar jongeren worden geconsulteerd. Zij krijgen volledig inzicht in het proces en hun mening wordt serieus genomen.
  Trede 4 In opdracht, maar geïnformeerd. Volwassenen voeren het project uit, maar zij betrekken op ad-hoc basis jongeren bij het proces.
Schijnparticipatie Trede 3 Afkopen. Jongeren krijgen ogenschijnlijk een stem, zonder invloed te hebben op het onderwerp of de vorm.
  Trede 2 Decoratie. Jongeren worden ingeschakeld om activiteiten van volwassenen op te leuken.
  Trede 1 Manipulatie. Jongeren worden ingezet bij acties ten behoeve van door volwassenen geformuleerde belangen van het kind, zonder dat jongeren de implicaties hiervan begrijpen.
Deze participatieladder beschouwen wij als een richtlijn voor ons jeugdwerk. Trede 8 is niet altijd haalbaar. Soms past trede 4 beter bij een activiteit. Maar we moeten wel streven naar een zo hoog mogelijke trede van participatie. Er zijn hierbij ook nog enkele voorwaarden:
  • Jongeren moeten achter de activiteit/het idee staan.
  • Jongeren komen niet met ideeën op commando, maar ideeën ontstaan ergens tussendoor.
  • Betrokkenheid van jongeren stimuleer je door zo duidelijk mogelijk te zijn over wat de bedoeling is en helder te zijn over waarom jongeren mee zouden moeten doen.
  • Bedenk voor jezelf waarom je als coach of kerk op deze manier wilt werken, wat je ermee wilt bereiken.
Bestaande netwerken, verbinden en verdiepen
Harmen van Wijnen benadrukt de kracht van de kerk als netwerk. ‘Het zou mooi zijn’, zo zegt hij, ‘als het instituut langzaam verandert in een netwerk waar groepen bij kunnen aanhaken en gebruikmaken van alle waardevolle aspecten van de eeuwenlange traditie.’
Daarbij kan je heel goed aansluiten bij bestaande structuren. We moeten als kerk zijn op plekken waar jongeren zijn. Op de sportvereniging, op school, gezinnen, etc.
Van Wijnen raadt aan in te zetten op zowel bestaande vormen van jeugdwerk als nieuwe vormen van jeugdwerk, op verbinden en verdiepen. Verbinden: present zijn in de leefwereld van de jongeren. We stappen uit onze comfortzone en gaan op bezoek in bestaande netwerken van jongeren. Niet als buitenstaander, maar als onderdeel. En niet om jongeren in de kerk te krijgen, maar om het geloof in God relevant te maken binnen de bestaande netwerken. Je zou kunnen zeggen dat je (ook) een missionaire houding krijgt ten opzichte van je eigen jeugd. Ze komen niet meer naar jou, maar jij zoekt ze op. Verdiepen: verdiepen van bestaande vormen van jeugdwerk en deze vormgeven met nieuw elan.
Deskundigheidsbevordering kinder- en jongerenwerkers
Omdat kinder- en jongerenwerkers een cruciale rol spelen in het jeugdwerk is het zaak om deze bij te staan en ze te scholen daar waar nodig is (bijv. op het gebied van orde houden, ontwikkeling van kinderen en jongeren).
Voor de jeugdleiders is het het belangrijkste dat ze bevlogen zijn, geloven in God en vanuit die passie een levend voorbeeld zijn van een gelovige. De rest valt te leren… Een gezonde jongerenbediening heeft geestelijk gezonde leiders.
Relationeel
Relationeel jeugdwerk staat centraal bij ons. Activiteiten zijn belangrijk. Ze moeten aansluiten bij de kinderen en jongeren, maar daarmee ben je er nog niet. Door middel van relaties kom je dichterbij de jongeren en kan je werkelijk van betekenis voor ze zijn. Je hoeft geen vriend van ze te worden, maar je moet bereid zijn naast ze te gaan staan. Naar ze te luisteren. Ze liefde en aandacht te willen geven. Met activiteiten gaan we het niet winnen van de sportvereniging of andere instanties. Die zijn daar doorgaans veel beter in. Wij moeten inzetten op relaties. Daardoor komen we dichterbij het hart van de jongeren. Jongeren verlangen naar waardevolle relaties waarin zij met hun vragen terecht kunnen.
Enkele vuistregels bij relationeel jongerenwerk:
  • Het draait om de behoeften van de ander, niet om jou.
  • Het draait om luisteren, niet om praten.
  • Het draait om goede vragen, niet om sluitende antwoorden.
  • Het draait om het proces, niet om het product.
  • Het draait om eerlijkheid, niet om perfectie.
Vrienden en inhoud
Het draait bij kinderen en jongeren om vrienden. Een activiteit is leuk, omdat de vrienden er ook zijn. De groep is belangrijk.  
Daarnaast moet er ook iets te halen zijn voor ze. Het geloof moet er toe doen. Het moet als relevant ervaren worden. Het is dus zaak om aan te sluiten bij de kinderen en jongeren. Alleen gezelligheid en vrienden zijn niet genoeg. Inhoud doet er wel degelijk toe. De inhoud moet overigens wel aansluiten bij de belevingswereld van de jongeren. Het moet uitdagend zijn, afwisselend en actueel.
Geest en gebed
Het belangrijkste hebben we voor het laatst bewaard. Al onze inspanningen zijn leuk en aardig en kunnen vanuit een goed hart gedaan worden, maar als er geen ruimte is voor Gods Geest en gebed, dan zijn onze inspanningen tevergeefs geweest. De Geest doorbreekt de grenzen, zowel bij oud als jong. En die Geest is net zoals bij de eerste christelijke gemeente ook nu nog heel hard nodig. Gods Geest betrekken bij het jeugdwerk is niet zo moeilijk. We hoeven er ‘slechts’ om te vragen. Daarbij moeten we een afhankelijke en open houding hebben ten opzichte van God.
Bij al onze inspanningen moet gebed een grote rol spelen. Gebed met onze kinderen en jongeren en voor onze kinderen en jongeren. Het is het krachtigste wapen van de kerk!
Ons gebed telkens weer, is dat God mensen aanraakt, ze opent, tot bloei laat komen en dat mensen een relatie met God aangaan.
Literatuurlijst
Hierbij enkele literatuurtips met achtergrondinformatie over kinderen, jongeren en geloven.
  • Corien Rietberg en Corjan Matsinger, Handboek voor kinder- en jeugdpastoraat, Amsterdam, 2012.
  • Ingrid Plantinga en Harmke Vlieg, Handboek voor catecheten, Amsterdam, 2013.
    • In beide bovengenoemde boeken verwijzingen naar andere nuttige (hand)boeken over jongeren.
  • Doug Fields, Doelgericht jongerenwerk, Vaassen, 2005.
  • Mark de Boer, Nooit meer evangeliseren, Amsterdam, 2011.
  • Martin Tensen, Wat & Waarom ik geloof, Almere, 2007.
  • Jef de Schepper, Levensbeschouwing ontwikkelen, Hilversum, 2004.
  • Jos van der Wal, Ineke de Mooij en Jacob de Wilde, Identiteitsontwikkeling en leerlingbegeleiding, Bussum, 2006.
  • Huub Nelis en Yvonne van Sark, Puberbrein binnenstebuiten, Utrecht/Antwerpen, 2009 – 2010.
 
 

terug